Dagboekverhalen
Meneer de Vink
In het kader van de privacy is de naam van de bewoner gefingeerd.
Meneer de Vink is op onze afdeling komen wonen nadat hij een tijdlang de dagbehandeling heeft bezocht. Een vrij jonge man nog. In het begin wist ik niet wat me overkwam. Hij ging grote delen van de dag languit heel rustig op de grond liggen; op zijn rug, zijn buik, zijn zij, het maakte niet uit. In de gang, bij de lift, in de huiskamer: overal en hij was niet tot opstaan te bewegen. Totdat hij zelf weer zin had om op te staan en dit dan opvallend lenig deed. Waarom deed hij dat? Niemand wist het. We vermoedden dat hij denkbeeldige bloemen plukte omdat hij altijd graag getuinierd had. Maar inderdaad, dat was slechts een vermoeden. De werkelijke reden hebben we tot op heden niet kunnen achterhalen.
Telkens als er bezoekers voor andere bewoners, of collega’s van andere afdelingen bij ons binnenliepen riepen ze ons: “Kom gauw, er is iemand op de grond gevallen!” En telkens moesten wij uitleggen dat meneer de Vink niet gevallen was, maar zelf gekozen had te gaan liggen en ook zelf het moment zou kiezen om weer op te staan…Belevingsgerichte Zorg: dus als hij op de grond wilde liggen kon dat. Maar wat was het moeilijk hem zo te eten te geven! Vaak zat ik naast hem op de grond, soms zelfs op mijn knieën, met zijn bord eten in mijn hand. Of op andere momenten blééf hij maar snel door de gangen lopen; dan liep ik mee, mét zijn bord eten en een beker drinken: een ‘lopend buffetje’ maakten we ervan. Geen optimale manier van eten, maar wat dan? In een stoel met blad zitten maakte hem duidelijk diepongelukkig.
Hij wilde niet vastzitten, hij wilde vrijheid, onafhankelijk zijn, en daarbij veel buiten zijn, buiten de deuren, buiten de hekken van de tuin, niet opgesloten zijn…Dat bleek uit alles als je met hem in de tuin wandelde. Dan kon hij enorm kwaad worden als hij merkte dat onze tuin begrensd is door gesloten hekken. Het raakte mij diep, te zien hoe iemand die zó op zijn vrijheid en zelfstandigheid gesteld is, door ziekte hierin zo vreselijk beperkt wordt. Ik zag zijn woede, zijn verdriet, zijn machteloosheid vooral. Daardoor voelde ik me zelf dikwijls óók onmachtig: want al zorgen we nog zo goed voor iemand en zetten we ons voor tweehonderd procent in, je kunt een bewoner nóóit geven wat hij werkelijk wil: genezing, het normale vrije leven van vroeger terug. Hoe kun je dan toch nog zorgen dat iemand nog kwaliteit van leven ervaart? Nog redelijk gelukkig is? Vaak hielden dit soort gedachten me ook na mijn werktijd nog bezig; deze bijzondere man met zijn opvallende gedrag zette me sterk aan het denken.
Gelukkig komt zijn vrouw bij iedere warme maaltijd helpen, dan blijft hij even in een stoel zitten. En ook gaat ze, altijd wanneer ons klimaat dat toelaat, met hem naar buiten de tuin in. Hij is altijd erg blij haar te zien, maar op het moeilijke moment dat ze aan het eind van de middag weer naar huis gaat moeten wij meneer de Vink altijd afleiden zodat zijn vrouw ongemerkt kan vertrekken, anders volgt een aanval van angst, paniek, boosheid of verdriet waar hijzelf alleen maar last van heeft, dat willen we hem besparen.
Meneer de Vink zegt nooit veel. Wel lacht hij af en toe, om een grapje, een gek liedje of zomaar. Maar meestal gaat hij helemaal op in zijn eigen wereld, de blik naar binnen gericht, onbereikbaar voor anderen, levend achter een figuurlijke muur waar wij niet overheen kunnen kijken…Toch, soms, als ik een grapje maak, moet mijnheer vreselijk lachen en zegt dan met een vrolijke grijns: “Wà bende gij toch een lilleke deugniet!” Prachtig.
Laatst liep ik na een werkdag naar huis, de jas al aan, en zei hem, hij zat op de bank in de gang, zijn favoriete plekje - “goedenavond en tot morgenvroeg!” Terwijl ik al verder liep hoorde ik hem wat terugzeggen. Hee, even omdraaien en naast hem gaan zitten, want echt praten: dat had ik hem zelden horen doen. Tot mijn verbazing zei hij duidelijk en rustig: “Sommige dingen gaan goed en sommige gaan slecht.” Ja, wat moest ik daarop antwoorden? “Meneer de Vink, sommige dingen gaan zeker goed. Maar de dingen die slecht gaan, komen óók weer goed!” “Nee” zei hij heel fel, “die komen nóóit meer goed!” Zijn ogen straalden boosheid uit. Ik dacht snel na. Hij had volkomen gelijk.
“Sorry meneer de Vink, u hebt helemaal gelijk. Sommige dingen komen inderdaad niet meer goed. Is dat misschien de reden dat u soms zo kwaad bent?” “Ja!” was het kernachtige antwoord. Daarna verzonk hij weer in zijn eigen gedachtewereld, zwijgend, voor zich uitstarend. Weer opgesloten, onbereikbaar, achter zijn ondoordringbare muur.
Ik had zijn boodschap begrepen. Die woede, die machteloosheid, het verzet tegen een ziekte die niet meer goed komt…“Het komt allemaal weer goed”. Die inhoudloze zin, zo vaak onnadenkend uitgesproken, zul je míj niet meer horen zeggen!
Mirjam Naninck
Woonbegeleidster afdeling Citrushof, De Orangerie


